Vermaert Konstschilderesse

De schilderijen van Geertje Pieters

Geertje Pieters (ook: Geertgen / Geertruyd / Geertruyt / Geertruid / Grietge(n))

(ged. Delft 13-05-1636 – begr. Delft 15-05-1712)

ook bekend onder de naam:

Geertruyd Wyntges (ook: Wijntgens / Wyntgerts / Wynties / Wijnties ).

Geertje Pieters was de eerste dochter van Pieter Wyntges en Barbara Michiels, die op 1 juli 1635 in Rijswijk waren getrouwd. Zij werd in Delft gedoopt op 13-05-1636. Na haar werden haar zus Maria (1638) en broer Pieter (1644) geboren.

Op ongeveer tien/twaalfjarige leeftijd ging Geertje werken als inwonende huishoudelijke hulp in het gezin van dominee Van Oosterwijck in Voorburg. De eerste vermelding van de band tussen Geertje Pieters en Maria van Oosterwijck is te vinden in een testament, opgemaakt bij notaris Van Assendelft in Delft op 1 november 1658. Daarbij legateerden Maria en haar broer Lambertus aan Geertje een bedrag van 100 gulden. Hieruit blijkt dat zij niet zomaar een hulpje in huis was.

De opleiding tot kunstschilderes

Omstreeks 1664 trad Geertje als huishoudelijk hulp in dienst van Maria van Oosterwijck. Naast haar huishoudelijke werkzaamheden belastte zij zich ook steeds meer met het prepareren van verfmaterialen, of zoals Houbraken vermeldt, ‘welke zij [Maria van Oosterwijck] ook gebruikte tot het vryven van haar verven’. Vervolgens ontving zij van Maria van Oosterwijck teken- en schilderles. In enkele jaren ontwikkelde Geertje zich tot een volleerd schilderes van bloemstillevens. Haar hoogtepunt lag omstreeks 1675.

Waardering van Constantijn Huygens

In 1676 bezochten Geertje Pieters en Maria van Oosterwijck tezamen de bekende Constantijn Huygens in Voorburg. Zij kenden hem uit de tijd dat zij beiden nog in Voorburg woonden. Maria van Oosterwijck had een goede band met deze invloedrijke kunstliefhebber. Onder de indruk van snelle ontwikkeling van Geertje Pieters, schreef Huygens op 31 maart 1676 voor haar een gedicht:

Met een silver palet geschoncken aen Geertje Pieters dienstmaeght, schildersche.

‘t En moght niet minder zijn voor Geertje Pieters hand, Nieuw’eere van ons land:

En gaet sy rysende soo ‘sonlangs is geresen, Sal ‘t haest Goud moeten wesen.’

Constantijn Huygens voert haar in 1679 opnieuw ten tonele in een gedicht aan Willem van Heemskerck over ‘Joff. Oosterwyck en haer dienstmaegd, oock Schildersche’: 

Ons ‘aerdighe Vriendinn’, de selzam’ Oosterwyck,

Bij dien wij geen’ gelyck en kennen, haers gelijck,

Doet daeglix wonderen noijt genoegh te schatten.

Een van die wonderen, by niemand licht te vatten,

Is, dat de Maeghd een’ Maegd, een Dienstmaeght heeft gebaert,

Een van den vaet-doeck af, van Bessem en van Haerd

So schielick aengequeeckt en leeren Oosterwijcken,

Dats’ Oosterwijcks Pinceel alleen bestaet te wijcken.

Wat dunckt u, geestigh Vriend, heb ick groot ongelyck,

Die Geertje Pieters noem Geertruyd van Oosterwijck?

Sy is door Oosterwijck al dats’ heeft leeren wesen,

Sy is haar eigen Print; of, wilt ghij ‘t klaerder lesen,

S’is Oosterwijckens Maen: en geeft die sulcken schijn,

Denckt watter in die Son, die ‘t licht geeft, lichts moet zijn.

Het gedicht is een hommage aan beide vrouwen. Desondanks heeft Geertje Pieters niet zo’n grote naam opgebouwd als Maria van Oosterwijck of Rachel Ruysch. De kunstmarkt was na 1672 sterk ingezakt. Omstreeks 1684 eindigde de samenwerking met Maria van Oosterwijck en keerde Geertje als zelfstandig schilderes terug naar haar geboorteplaats Delft. Mogelijk verlegde Geertje Pieters in Delft haar aandachtsveld en ging zij werken voor de Delftse plateelindustrie. 

Werken

Hieronder vindt U drie werken van Geertje Pieters. Er is melding gemaakt van nog een schilderstuk van haar hand ‘Twee Troonien in een Notenboom kasje verbeeldende een Oude Vrouw met haar Dienstmaeght, gekopieret naer de Sotte Cleef’. Mogelijk is ook nog een tegeltableau van haar hand bewaard gebleven.

Voor nadere informatie klikt U op een van de schilderijen.